14 oktober 2007
Ik heb al die tijd tegen een poppenkastpop geschreven. Haar reacties, mailtjes, het was niets anders dan een veredelde buiksprekersact waarin ik mezelf gespiegeld hoopte. In het houten gezichtje, zonder gezichtsuitdrukkingen en met slechts grove gebaren van de armen kon ik alles wat ik wenste vinden. En zij liet vanonder de vilten lap haar handen en vingers de bewegingen maken waarvan ze dacht dat ik ze graag zag. Haar mond zei de dingen die ik graag hoorde. En zonder een waarschuwende knippering van de plastic poppenogen liet ik alles gretig binnenkomen in mijn spiegelziel.
Hoe dan ook. Na de koffie in Americain stond ik moeizaam op, glimlachte beleefd en zei dat ik snel naar huis moest omdat de katten lang alleen waren. Van het gesprek herinner ik me niets. Alleen de donkere streep uitgroei in haar haar staat me nog voor de geest. Ik was vast van plan haar nooit meer te zien of te spreken, niet per e-mail, noch in het echt.
